Dagelijks leven

Dagelijks leven, wonen, geldperikelen

Het alledaagse leven kende een strak dagritme weten we uit een brief die de jonge Werkdorper Hajo Meijer schreef aan zijn ouders. Opstaan om 6.30 uur. Een half uur later ontbijt, wat niet  slecht was: Er is koffie, thee, pap en brood, in het begin kreeg ieder slechts twee sneetjes brood met een beetje jam. Er was toen nog een tekort aan alles. Doel was het Werkdorp zelfvoorzienend te maken, maar dat eerste jaar viel er nog weinig te oogsten.

Na het ontbijt ging een ieder aan het werk. De mannen buiten, de vrouwen binnen. Zíj werden, niet geheel naar eigen wens, opgeleid in huishoudelijke taken en het kweken van groente en fruit. Daarover later meer.

Tegen twaalven ging de buitenbel voor het middagmaal. Een eentonig maal. Veel bonen, aardappelen en weinig groente en fruit. Het eten moest gekocht worden en geld was een doorlopend probleem. Later toen de boerderij en de groente- en fruittuin eenmaal oogsten leverden werd alles beter.

Daarna ging men nog tot een uur of drie aan het werk en daarna begonnen de theorielessen. Na het avondbrood is de avond vrij. Dat wil zeggen: er zijn nog steeds lessen, maar dan op vrijwillige basis. De Palestinagangers konden lessen volgen  in ‘Palestinakunde’, zodat het nieuwe vaderland wat vertrouwder aan zou voelen. Er was les in Ivriet, Spaans voor hen die naar Zuid Amerika wilden, en Engels. Les in de Nederlandse taal werd niet aangeboden.

Onderling werd er veel gediscussieerd over alles wat hen bezighield en men leefde met elkaar mee. Ontspanning was er ook. Zo waren er gastoptredens van toneelspelers en musici uit Amsterdam. Verder werd er gewandeld, geschaatst en gezwommen.  Wie geld had kon zich af en toe een bioscoopje in Hippolytushoef permitteren of een uitje naar Alkmaar of Amsterdam. Er was geen avondklok. Ieder mocht naar bed wanneer hij of zij wilde, als je maar op tijd aanwezig was de volgende morgen.

Wonen

Op de foto is de start  van het Werkdorp te zien. De barakken die er staan zijn verlaten door de allereerste pioniers. Het hoge houten huis is een verplaatste directiekeet van de Zuiderzeewerken, het Haukeshuis. De schuur op de achtergrond is de Oostwaardhoeve, het bedrijfsgebouw dat hoorde bij de grond die het Werkdorp pachtte.

Het aantal barakken werd uitgebreid. Het gemeenschapshuis bouwde men met eigen handen.

De inrichting van de woonbarakken was in het begin vrij primitief. Geen waterleiding, geen elektriciteit, een tobbe om in te wassen. Douchen mocht eens per week in de school van Wieringerwaard, twee kilometer verderop.

Al snel na de opening werd dit via een leertraject (loodgieter, elektricien) uit de wereld geholpen. Niet alle gebouwen werden aangesloten op de waterleiding, alleen het gemeenschapshuis, het Haukeshuis en een centrale badinrichting. Ook kwam er een apart wc-gebouw. Op het terrein was een sloot met brongas, methaan, dat door de venige ondergrond spontaan naar de oppervlakte kwam. Dit gas werd via een installatie afgevangen en door een buizenstelsel naar de gebouwen geleid ten behoeve van de verwarming. 

De jonge mannen en vrouwen woonden gescheiden. Er waren twee aparte vrouwenbarakken. Volgens de verhalen waren de barakken van de jonge vrouwen gezelliger dan die van de jonge mannen.

De scheidlijnen waren niet heel strikt. Het waren jonge mensen en ze werden verliefd. De hooischuur werd een graag bezochte plek, wat soms problemen gaf. Werd een vrouw onbedoeld zwanger dan werd het stel zonder pardon weggestuurd. Kinderen waren taboe in het Werkdorp en voor koppels was  geen plaats. Toch werd er bij uitzondering wel getrouwd. Eenmaal vond een jong echtpaar een woonplek vlak buiten het Werkdorp, soms ging de vrouw elders wonen, zoals Alice Leyser-Rechnitz.  Zij ging naar haar moeder en oma in Amsterdam, terwijl Lothar Leyser in het Werkdorp bleef.

Geldperikelen

Het was niet de bedoeling dat de kosten van het Werkdorp en de opleidingen voor rekening van het Joods Vluchtelingen Comité of de Stichting Joodse Arbeid kwam. Ondanks het feit dat de leerlingen werk leverden, moesten zij zelf een bedrag van fl. 6,50 per week betalen voor opleiding en verblijf. Zij kregen daarvan fl. 0,50 zakgeld. Bezoek aan dokter of tandarts werd aan hen doorberekend. De familie droeg bij, maar dat werd steeds moeilijker omdat niemand meer iets verdiende. Gertrud van Tijn drong aan geld te vragen bij familie in Engeland of Amerika, maar de politieke situatie belemmerde steeds vaker dat er geld vanuit het buitenland werd overgemaakt. Uiteindelijk betaalde dan het Vluchtelingencomité. Het zakgeld daalde dan tot enkele dubbeltjes.

Wie tot juni 1939 kon emigreren had hoge kosten. Als de familie niet kon bijspringen dan deden organisatie dat die hier speciaal voor waren opgericht. Naar Engeland gaan was het voordeligst: de overtocht kostte fl. 20,55. Foto’s, pas en visum tezamen bijna fl. 12,-  Voor fl. 90,15 kon men naar Palestina, alle onkosten opgeteld. Een echtpaar kon vertrekken op één visum, dat scheelde kosten en was een reden om te trouwen.

  1. Palestinapioniers
  2. Bewoners, vertrek, geldperikelen
  3. Dagelijks leven, wonen, geldperikelen
  4. De leerlingen, de opleidingen
  5. Ontvangst in de buurt, de ontruiming en daarna