Een plek om te wonen

Bewoners, vertrek, geldperikelen

De meerderheid van de bewoners arriveerde in het Werkdorp dankzij een samenwerking tussen de  Stichting Joodse Arbeid en het Joodse Vluchtelingen Comité. Contactpersoon voor het werkdorp was Gertrude van Tijn. Ze was afkomstig uit Duitsland en getrouwd met een Nederlander. Zij ging over iedere toelating en mutatie in het Werkdorp.

Hoewel in de beginjaren enkele Nederlandse zionistische jongeren zich aanmeldden, bleven zij een minderheid. Het dorp werd vooral bevolkt door gevluchte Duitse jongeren. De eerste groep waren de Duitse vluchtelingen die zich al in Nederland bevonden. Zij waren uit Duitsland vertrokken omdat ze als Jood geen werk meer kregen of geweerd werden van school of universiteit. Lang niet iedereen had een zionistische achtergrond en wilde naar Palestina. Vertrek uit Duitsland stond voorop. Leeftijd speelde een rol. Wie in principe tussen achttien en vijfentwintig jaar was, kwam in aanmerking voor de opleiding.

Onder deze groep bevonden zich jongeren die in Nazi-Duitsland politiek actief waren geweest in communistische kringen. Ze vormden een vaste groep die veel over politiek discussieerde. De leiding van het Werkdorp zat hiermee in haar maag. Het verstoorde de gang van zaken maar terugsturen naar Duitsland betekende de dood voor deze jongeren. Sommigen vertrokken zelf, bijvoorbeeld om in de Spaanse burgeroorlog te gaan vechten.

Een tweede groep vluchtelingen die in het Werkdorp terechtkwamen, waren Duitse politiek-actieve jongeren die tijdens en na de Kristallnacht waren opgepakt en die in een concentratiekamp terechtkwamen. Zij werden na enkele maanden vrijgelaten op de conditie het land binnen 24 uur te verlaten. Het waren jongeren die in hun vaderland kennis hebben gemaakt met pesterijen, kloppartijen, uitsluiting en  wanhopige ouders, jongeren die hun jeugd en onschuld al totaal verloren hadden.

Een derde groep die in het Werkdorp arriveerde waren de leerlingen van hachshara opleidingen in Duitsland. In een later stadium arriveerde er ook een kleine groep jonge Oostenrijkers.

Hoewel Nederland in 1938 de grens sloot voor vluchtelingen mochten er na de Kristallnacht nog 2000 kinderen, die hun ouders moesten achterlaten, via de zogenoemde kindertransporten ons land in. Daarvan vond een deel een plek in Slootdorp in de Wieringermeer. De toelatingsleeftijd werd verlaagd van achttien naar veertien jaar. Van sommigen weten we hoe ze er aan toe waren. Ilse Heyman vertelt: “ We waren natuurlijk  helemaal in de war. Daar stond je als jong kind, net zestien, zonder ouders of familie. Wat ze ook deden om ons op te vangen, het kon niet genoeg zijn.” Hajo Meijer, die voor hij in het Werkdorp arriveerde, al verschillende jeugdhuizen van binnen had gezien schreef zijn ouders: “Dit is de beste plek voor mij.”

Eenzaamheid, heimwee, het contact verloren met familie die inmiddels al is opgepakt en is afgevoerd, soms nog wel contact met familie in Engeland of de VS én de (terechte) angst ze zelf niet meer na  te kunnen reizen; die gevoelens zijn er allemaal geweest.

De aanmeldingen overtroffen de vraag zodat Gertrude van Tijn vaak voor moeilijke keuzes stond temeer als het om illegaal in Nederland verblijvende jongeren ging. Afwijzing betekende uitwijzing.

Duits was vaak de voertaal. De Nederlandse overheid wees het leren van Nederlands af. Zij wenste dat de voor het nazisme gevluchte leerlingen na hun tweejarige opleiding uit Nederland vertrokken. Hun verblijfsvergunning eindigde dan en zij werden geacht te emigreren.

Vertrek uit het Werkdorp

In de beginjaren van het Werkdorp was het niet moeilijk om te emigreren. De grenzen waren open en er was scheepvaartverkeer over de hele wereld. Wel moest men geld genoeg hebben. Niet altijd was het mogelijk vanuit Rotterdam te vertrekken, Portugal en Genua hadden echter ook passagierslijnen naar Noord- en Zuid-Amerika en Australië. Ook  Zuid-Afrika was als einddoel in beeld. Naarmate de tijd vorderde werd het steeds ingewikkelder om na de opleiding het Werkdorp te verlaten.

Norbert Abrahamssohn bijvoorbeeld had een inreisvergunning voor Australië waar familie verbleef. Op  5 september 1939 zou zijn schip, de Triestino, vertrekken uit Genua. De politieke situatie verhinderde hem echter naar Italië te reizen. In december 1939 kreeg hij bericht dat zijn vergunning was ingetrokken: Australië sloot de grenzen voor vluchtelingen. Een wanhopige poging om Canada nog te bereiken mislukte ook. 

Er waren meer leerlingen met een visum of zelfs tickets voor een boot op zak. Ook zij die na de Duitse bezetting van Nederland graag weer naar de familie willen terugkeren (het was immers hier ook niet meer veilig) kregen van de bezetter nul op het rekest.

In juni 1939 kwam er vanuit Palestina een Joods initiatief tot stand om, als het niet anders kon, illegaal vanuit Europa naar Palestina te reizen. Er werd een Deens kolenschip gekocht en omgebouwd tot passagiersschip met de naam Dora. De passagiers waren Joodse jongeren uit Nederland en België, hoofdzakelijk Palestinapioniers. In de eerste instantie was Gertrude van Tijn niet voor een dergelijke illegale actie, maar uiteindelijk verzette ze zich er niet tegen met als resultaat dat er 76 leerlingen uit Slootdorp vertrokken. Dat had een grote impact op het Werkdorp. Het gaf ook nieuwe kansen omdat er ruimte vrijkwam en er zelfs uitbreiding mogelijk was door slaapruimte te creëren op de zolder van het gemeenschapsgebouw. Zo kon een flinke groep minderjarigen van de kindertransporten in Slootdorp opgevangen worden.

Lees verder:  

  1. Nederlandse pioniers en Palestinapioniers
  2. Bewoners, vertrek, geldperikelen
  3. Dagelijks leven, wonen, geldperikelen
  4. De leerlingen, de opleidingen
  5. Ontvangst in de buurt, de ontruiming en daarna