Werkend leren

De leerlingen, de opleidingen

De Stichting Joodse Arbeid zette het Werkdorp op voor joodse vluchtelingen uit Duitsland en Oostenrijk. De doelstelling sloot aan bij die van de zionistische beweging om een Joodse staat op te bouwen in Palestina (Brits mandaatgebied). De tweejarige opleiding was er op gericht om met je handen in je levensonderhoud te kunnen voorzien vanuit de gedachte dat er in Palestina meer behoefte is aan handwerkers dan aan intellectuelen. Soms kon een nieuweling kiezen, vaker werd hij voor een opleiding aangewezen.

Voor de jonge vrouwen was er geen keuze. Zij leerden een huishouden te bestieren, groente en fruit te kweken en groenten in te maken. Hun aantal in het Werkdorp werd bepaald door de behoefte aan huishoudelijke krachten en bleef beperkt tot gemiddeld vijftien vrouwen.

Veel vrouwen waren daar niet gelukkig mee. De echte Palestinagangers wisten dat er in de kibboets geen onderscheid gemaakt werd. Iedereen was daar inzetbaar bij álle werkzaamheden. De vrouwen wilden bijvoorbeeld leren melken, maar dat werd slechts bij uitzondering toegelaten. De jonge vrouwelijke Palestinapioniers hadden voor hun komst  andere idealen dan huishoudster worden, vooral zij die hun (universitaire) studie of hun baan hadden moeten afbreken. Zij hadden echter weinig keus.

De opleidingen

Opleiding tot boer

Voor deze opleiding kregen Zionisten voorrang, maar verreweg de meeste mannelijke leerlingen kwamen op de boerderij, de Oostwaardhoeve, terecht. De 100 jonge vluchtelingen die na de Kristallnacht binnenkwamen werden aan het werk gezet op de nieuwe uitbreiding aan het IJsselmeer. Dagelijks reed er een bus met nieuwelingen op weg naar ‘das Meer’, een ritje van zo’n 15 tot 20 km door de gloednieuwe polder, om greppels te graven. De jonge Hajo Meijer vermoedde dat dit werk diende om spieren te kweken. Scholieren zijn nog niet geschikt voor het zware boerenwerk, dacht hij.

Aan de overkant van de weg was een pas gebouwde schuur waar alles aanwezig was om het boerenhandwerk te leren. Voor de akkerbouw enkele paarden met bijbehorende werktuigen, voor de veeteelt was er een stal vol koeien. Veel van wat geproduceerd werd, bleef voor het huishouden en de boter- en kaasbereiding. De overtollige melk ging naar de kaasfabriek in Wieringerwaard. De melkers deden samen met boerenjongens uit de omtrek een erkend examen in Wieringerwaard.

De leiding van de opleiding was in handen van een Nederlandse boer. De voorman was Duits. Er werden Nederlandse producten verbouwd: graan, suikerbieten, aardappelen en voederbieten of knollen voor het vee. Voor het vee werd ook hooi gewonnen in grote hoeveelheden. In het eerste jaar was er nog geen oogst en was het voedsel schaars. Daarna werd het beter.

De boeren in spé werden geacht een bepaalde periode praktijkervaring op te doen bij de boeren in de omtrek. Was de afstand erg groot dan was er sprake van een interne stage. In het archief van het Historisch Genootschap  bevindt zich nog een getuigschrift van Eli Delden. Hij nam dit mee naar Palestina. Toen zijn dochter jaren later de polder bezocht, zocht zij aan de hand van dit papier de boerderij op waar haar vader gewerkt had.

Tijdens deze stages werd ongetwijfeld gesproken over zaken die in Palestina van groot belang zouden zijn, zoals het boeren in een nieuw land op onbekende grond. Een Palestinapionier zou deels met dezelfde problemen te maken krijgen als een polderpionier, was de verwachting.

Opleiding tot tuinder

De groentetuin leverde al snel een oogst. De opleiding tuinbouw zorgde voor een deel van het dagelijks voedsel. Ook hier was een Nederlandse leraar. Allerhande groenten werden geteeld. Er verrezen kassen waardoor het seizoen vervroegd werd en er andere producten zoals meloenen geteeld konden worden. Fruit zoals aardbeien, bessen en frambozen verschenen op tafel. Natuurlijk werden er fruitbomen aangeplant. De vrouwen konden hier wel meewerken. Bovendien maakten ze groenten en fruit in, destijds dé manier van conserveren.

Zowel bij de landbouw als bij de tuinbouw was er periodiek sprake van een productieoverschot. Om de Nederlandse handel niet te beconcurreren was het verboden de producten te verkopen, dus die vonden hun weg naar familie en vrienden in Amsterdam en naar Joodse groentewinkels.

De pluimveetak was klein, maar niet onbelangrijk. Er werden kippen gehouden en eenden en kalkoenen gemest. De dieren leverden eieren en vlees. De hokken stonden in de buurt van de groentetuinen. Handig want de dieren ruimden veel plantenresten op. Ook organisch huishoudelijk afval kon voor een deel dienen als voer.

Opleiding timmerman/meubelmaker

Vanaf dag één van het Werkdorp startte de opleiding tot timmerman en meubelmaker. De uitrusting was in het begin niet optimaal. Pas in 1939 had men de beschikking over een ‘machinale’ werkbank. De praktijklessen werden in het begin aangewend om voor elke barak zes bedden, zes stoelen en één tafel te timmeren. Voor de eetzaal werden tafels gemaakt met keerbare bladen in verband met de koosjere keuken. Ook werden er tafels gemaakt waarbij de onderkant van de bladen beschilderd waren met schaak- en dambordenvelden. Tijdens de bouw van het gemeenschapshuis was er genoeg timmerwerk. In latere tijden werden de gemaakte werkstukken weggegeven omdat er in het Werkdorp zelf geen behoefte meer was. Marianne Philips schrijft in haar boek Nieuwe grond : “De resultaten zijn prachtig. Hier leert men meubelen maken waarop een landman, een arbeider die van zijn werk komt, zich kan neerzetten zonder dat het kraakt. In het Gemeenschapshuis staat een boekenkast en een prachtige notenhouten tafel geëtaleerd. Alles prijzen voor de verloting.”

Opleiding machinebankwerker, ‘Schlosserei’ 

De opleiding machinebankwerker begon met 15 leerlingen die zich gingen bekwamen in metaal bewerken. Ten behoeve van de landbouw kwam er een smederij. Ook de vaardigheden nodig voor loodgieten en elektriciteit stonden op het lesprogramma. Het begin was stroef omdat er geen materiaal, geen gereedschap en geen elektriciteit was. Met gekregen spullen werd er een begin gemaakt. De werkleider zelf nam een boormachine en een draaibank mee! Ieder gat moest met de hand geboord worden.

De praktijklessen werden gewijd aan de aanleg van elektriciteit, waterleiding, gasleiding, douches en toiletten in het Werkdorp zelf. Ook lassen, smeden en het beslaan van paarden zat in het programma. In later jaren ging het vooral om onderhoud.

Wrang detail is dat deze brede opleiding enkele mannen het leven gered heeft. Zij werden in de concentratiekampen te werk gesteld en niet naar de gaskamer afgevoerd omdat zij praktisch konden werken.

Opleiding tot huishoudster

Zoals eerder vermeld: de vrouwen kregen een opleiding gericht op huishouden en voeding: koosjer koken (wat niet iedereen van huis uit gewend was), wassen, strijken, naaien en verstellen. Ook de inmaak van groenten en fruit behoorde bij het lesprogramma net als boter en kaas maken.

Samen met de afdeling tuinbouw werd er pluimvee gehouden. De opleiding besloeg  één à anderhalf jaar.

Er werd een complete bakkerij ingericht in het gemeenschapshuis. 

Maar voor het bakken van het brood werd een bakker aangetrokken die voor 200 tot 300 jonge mensen de broodvoorziening regelde.

In de huishouding werd in twee ploegen gewerkt. Om de melkers op tijd van hun ontbijt te voorzien werd er om vier uur in de morgen gestart. Om twaalf uur in de middag trad de volgende ploeg aan. Voor hen was het om acht uur in de avond gedaan.

De opleiding voldeed niet voor de vrouwelijke Palestinapioniers, die een bredere opleiding wilden. Leren melken was zo’n twistpunt. Er bestaat een foto van een vrouw die een koe melkt. Wellicht Irene Kaufmann, die in een interview in Israël vertelde dat ze heeft gemolken. Eén van de vrouwen merkte tijdens de reunie in 1981 op dat ze alleen maar heeft geleerd hoe je knopen moet aanzetten.

Lees verder:  

  1. Palestinapioniers
  2. Bewoners, vertrek, geldperikelen
  3. Dagelijks leven, wonen, geldperikelen
  4. De leerlingen, de opleidingen
  5. Ontvangst in de buurt, de ontruiming en daarna