Het begin

Nederlandse pioniers

Een pionier is iemand die als een van de eersten een onbekend gebied betreedt.  Een avontuurlijk type dus.

In het begin van de dertiger jaren vond je zulke pioniers in de pas drooggevallen Wieringermeerpolder. Hadden ze wat met elkaar gemeen? Kwamen ze in aanraking met elkaar?

Op 29 juli 1929 wordt de dijk van de Wieringermeerpolder gedicht. Een klein jaar later valt het land droog. Het eigenlijke werk kan beginnen. De allereerste pioniers waren zij die de drooggevallen grond gereed maakten voor landbouw en veeteelt: zorgen voor afwatering, ploegen en zaaiklaar maken en het bouwen van schuren voor de eerste oogst en machineopslag. Een tijdelijke klus. Misschien hoopten ze later een boerderij te kunnen pachten, of bleven ze als boerenknecht. Deze pioniers waren  gehuisvest in zogenaamde werkdorpen. Een cluster houten woonketen, gegroepeerd rond een centraal onderkomen waar gekookt, gegeten en gerecreëerd werd.

Daarna kwamen de pioniers die zich definitief gingen vestigen in een voor hen onbekend land. Zij kwamen uit alle delen van Nederland. Hadden thuis weinig toekomst. Een (te) klein boerenbedrijf, een broer die het ouderlijk bedrijf overnam of ze werden aangetrokken door het onbekende. Deze gezinnen (vrijgezellen waren niet welkom) moesten zich eerst aan een strenge selectieprocedure onderwerpen. Was er nog ruimte in de getalsverdeling voor wat betreft godsdienst, waren ze kapitaalkrachtig genoeg, was de vrouw des huizes een goede huisvrouw en hielden ze er een onberispelijke levenswijze op na. Dat bepaalde of ze wel of niet polderpionier konden worden. Alle gelukkigen pakten hun boeltje bij elkaar en kwamen terecht in een compleet kaal landschap. De boerderijen stonden er al, gebouwd door “de directie”. Verder was er niets.  Regelmatig gebeurde het dat buren elkaar niet verstonden omdat men dialect sprak. In “Hooghaarlemmerdijks” was niet iedereen bedreven. Logisch ook dat er verenigingen ontstonden als de Friese Krîte. De Groningers bleven vasthouden aan hun Rederijkerskamer totdat de Duitsers het verboden. Het katholieke volksdeel hield hun carnaval in ere. De eenheid moest nog groeien.

Joodse pioniers

In diezelfde tijd waren er Joden in Oost- en Middeneuropa die zich aangesproken voelden door het Zionisme. Emigratie naar Palestina om een Joodse staat te stichten. Daar had men mensen nodig die met hun handen konden werken. Metselen, timmeren, voedsel verbouwen. Daartoe richtten overtuigde Zionisten in Duitsland interne opleidingscentra op waar jongens en meisjes in enkele jaren klaargestoomd werden voor emigratie.

Zeker na de Kristallnacht werd duidelijk dat deze centra geen lang leven meer beschoren zou zijn. En dat Joden het leven onmogelijk werd gemaakt. 

De Deventer vereniging

De pogroms in Oost-Europa, eind negentiende begin twintigste eeuw, maakten dat reeds toen veel Joden  vluchtten. Zij reisden per trein naar de havens van Amsterdam en Rotterdam om in te schepen naar de USA. Op verschillende plaatsen in het Duitse grensgebied werden “Grensverenigingen” opgericht om vluchtelingen op te vangen. In Deventer was het David Cohen die in 1902 de Grensvereniging voor Emigranten oprichtte welke tot doel had joodse emigranten aan het station ‘wat troost te bieden door hun thee of water mee te geven en een woord met hen te spreken’.

De opvolger van de Grensvereniging, de Deventer Vereniging, opgericht door Ru Cohen ontstond in 1918 ten behoeve van een groep Joodse deserteurs uit Galicië, toen nog deel van het Oostenrijks-Hongaarse keizerrijk. Deze mensen werden op individuele basis ondergebracht bij boeren in de omgeving van Deventer. In oktober 1919 waren er al 26 chaloetsim (emigranten voor Palestina), allen uit Oost- Europa. De Vereniging breidde zich in de dertiger jaren sterk  uit.

Het werkdorp

De Stichting Joodse Arbeid  gaat op zoek naar een plek voor een interne opleiding voor jonge mannen en vrouwen tussen de 18 en 25 jaar die graag een Palestina certificaat wilden behalen. De Britten stelde dit als voorwaarde voor vestiging in Palestina.

De overheid heeft zo’n plek. In Nieuwesluis, aan de Oostkant van de Wieringermeerpolder staat een werkdorp leeg. Het ontginnen is gedaan en de eerste golf pioniers is vertrokken. Het land ligt te wachten op pachters. Er worden na heel wat overleg en gesteggel met de overheid de afspraken gemaakt en de Stichting wordt de eerste pachter in de Wieringermeer. Op 1 november 1934 is het werkdorp 91 hectare groot.

Er mogen dan 200 leerlingen gaan beginnen aan een opleiding.

Het kamp is echter berekend op 90 arbeiders. Hier en daar worden nog wat meer overtollige barakken weggehaald. Ten behoeve van de directeur en het gewenste kantoor wordt er vanuit de Haukes (zuidrand van Wieringen) een overtollig houten kantoorgebouw van de directie Zuiderzeewerken afgebroken en bij Nieuwesluis weer opgebouwd. Het krijgt de naam Haukeshuis.  

Het gemeenschapshuis wordt door de leerlingen zelf gebouwd in de vorm van een boerderij en de eerste paal wordt geslagen door de heer James Mc. Donald, hoge commissaris van het Comité Duitse Vluchtelingen van de Volkerenbond.
Er worden ook enkele extra barakken ingericht als lesruimtes voor wie smid of timmerman wil. Aan de overkant van de weg bouwt Domeinen een zogenoemde Cultuurschuur, de Oostwaardhoeve. De opleiding kan beginnen.
Op 21 maart 1939 komt er helemaal aan de andere kant van de polder 133 hectare onontgonnen grond bij. De uitbreiding komt als geroepen want dezelfde tijd groeit het dorp met nog eens 100 leerlingen.

  1. Palestinapioniers
  2. Bewoners, vertrek, geldperikelen
  3. Dagelijks leven, wonen, geldperikelen
  4. De leerlingen, de opleidingen
  5. Ontvangst in de buurt, de ontruiming en daarna