Het einde

De ontvangst in de buurt, de ontruiming en daarna

Onder sommige bewoners van de polder heerste de opvatting dat een Jood geen boer kon worden. ‘Dat zat nu eenmaal niet in hun bloed’, zij kenden geen Joodse boer. Over het Werkdorp op zich werd zeer verschillend gedacht. Een extreme tegenstander, NSB-boerenleider Jan Saal, zei na de oorlog: “De Joden, verblijvende in het Jodenkamp in de Wieringermeer, vond ik  duister tuig, omdat het mij bekend was, dat zij, zowel mannen als vrouwen, ’s zondags op een onbehoorlijke wijze zonnebaden namen of zwommen in het kanaal”. Jan Saal koesterde daar bovenop wrok:  “Bovendien namen de buitenlanders grond in beslag dat de boeren zelf wilden hebben”. Zijn broer bewoonde een boerderij in de buurt van het Werkdorp. Na de oorlog moesten beiden de polder verlaten.

Wat dat onbehoorlijk baden betreft: in socialistische kring in Duitsland was het naturisme heel gewoon en in de beginjaren waren er veel leerlingen van socialistische huize. Het zou dus kunnen zijn dat de plaatselijke boeren wel eens heel grote ogen hebben opgezet daar bij de brug.

Gelukkig waren er bewoners met heel andere denkbeelden. Aan diezelfde weg woonde de jonge Gert Blaauwboer. Hij kwam regelmatig op bezoek en raakte bevriend met de voorman Menni de Vries en met diens zwager Kurt Winter. Híj schrijft in zijn memoires’: “Het waren over het algemeen menschen van onze eigen leeftijd, en ik geloof dat het normaal was dat je met ze in aanraking kwam. Je hoorde hun geschiedenis, de meesten kwamen uit gezinnen van intellectuelen of zakenlieden. Ze waren over het algemeen met slechts hun hemd aan uit Duitschland weggekomen. Door de verhalen van deze jongens en meisjes, hun behandeling en vernedering, roken wij toen reeds de  kwalijke adem van het Naziregiem.

Voorjaar 1941 werden ze weggehaald, ik stond bij mijn schuur toen de bussen voorbij reden. Een opgestoken hand uit de bus was het afscheid. Het was voor mij beslissend voor de plaats waar ik wilde staan.”

Gert sloot zich aan bij het verzet, wat hem in zijn verdere leven nooit meer heeft losgelaten.

Een spontane manier van contact maken verliep via de sport. Er is enkele jaren een voetbalelftal geweest waarmee in competitieverband wedstrijden gespeeld werden door heel West-Friesland. En natuurlijk gingen de fans mee. Zo  ontstonden er ‘scharreltjes’ met lokale meisjes, waarbij er in één bekend geval ongewenste gevolgen uit voortvloeiden. De jongeman emigreerde naar Amerika en ontving daar een heel boze brief van Gertrude van Tijn.

Er waren dagjes uit naar Alkmaar en bezoekjes aan familie of vrienden in Amsterdam. Eén van de leerlingen haalde zijn rijbewijs in Wieringerwaard en gezamenlijk werd er van tijd tot tijd een auto gehuurd.

En even voorbij de brug was een klein café, ‘de rustende jager’; dat af en toe bezocht werd.

De boeren-in-opleiding maakten door hun stage bij boeren in de Wieringermeer van nabij kennis met de leefwijze van de gezinnen van de polderpioniers. Ook goed om wat van de Nederlands taal op te steken trouwens. Het leverde hier en daar contacten op waar na de sluiting op 1 augustus  dankbaar gebruik van werd gemaakt. En kennis van de Nederlandse taal kon van onschatbare waarde blijken in de jaren die nog kwamen.

De ontruiming en daarna

De inval van de Duitsers op 10 mei zorgde voor paniek. In het Werkdorp was er in het begin grote schrik maar er veranderde ogenschijnlijk niets zodat de rust terugkeerde. Maar binnen een jaar, en niemand wist van die plannen, moest het Werkdorp sluiten. Op 20 maart 1941 reden er rond het middaguur zes bussen van het vervoersbedrijf Amsterdam voor, begeleid door de auto’s  van de SS’ers Barbie en Lages.

De buitenbel werd geluid en iedereen wist dat je dan in het gemeenschapshuis werd verwacht. Etenstijd. Nu kreeg iedereen na de maaltijd 10 minuten de gelegenheid zijn/haar spullen bij elkaar te pakken en in de bus te stappen.                                                  

Werkleider Kemmeren stond op. Hij wees er op dat het bedrijf door moest gaan. Er moest geoogst worden, juist in verband met de voedselvoorziening was dat van groot belang. Barbie en Lages waren hier gevoelig voor en gaven Kemmeren en zijn collega Slabbekoorn van de afdeling tuinbouw toestemming 60 leerlingen aan te wijzen die tot na de oogst konden blijven. “Het ergste wat ik ooit in mijn leven heb moeten doen”, zei Kemmeren later.

De zes bussen verlieten de polder en in de Amsterdamse Rivierenbuurt mocht iedereen uitstappen en zijn of haar weg zoeken.

De jonge leerlingen werden door de Stichting Joodse Arbeid verdeeld over diverse adressen in Amsterdam. Wie familie had kon daarheen. Gertrude van Tijn zorgde verder voor onderdakadressen. De jongsten gingen groepsgewijs naar tehuizen, de ouderen werden bij gastfamilies ondergebracht. In het begin lukte het hen de opleiding voort te zetten op een stuk grond bij het dorp Sloten. Later werden ze ‘verbannen’ naar Zeeburg, achter de oude joodse begraafplaats. Nog later zagen ze zich gedwongen alles stop te zetten, ook de timmer- en metaalopleiding.

Inmiddels had de Joodse Raad op verzoek de bezetter de adressenlijst van de Werkdorpers overhandigd. Kort daarop werd het bericht verspreid dat zij terug konden keren naar het Werkdorp. Ze zouden van hun verblijfsadres worden opgehaald. Een deel ging hier ondanks waarschuwingen op in. Met deze oproep wilde de bezetter aan het quotum van 300 joden voor bestemming Mauthausen voldoen, in verband met een represaille maatregel. Zo gingen er bijna drie maanden na de ontruiming 57 jongeren een wisse dood tegemoet. Na enkele weken kwamen de eerste overlijdensberichten binnen. Mauthausen werd al snel ‘Mordhausen’ genoemd.

 De anderen beleefden een onwerkelijke tijd in Amsterdam. Weinig te doen en geen idee wat de toekomst zou brengen. De ouderen probeerden werk te vinden, wat soms lukte. Wie bij de Joodse Raad terecht kon, had geluk. De betrokkene kreeg dan een ‘sperr’ en hoefde voorlopig niet bang te zijn voor een gedwongen vertrek. 

In 1942 werd de situatie penibel. In de zomer vertrok de eerste trein uit Westerbork naar Auschwitz. De gaskamers begonnen te draaien. In die trein zat een hele groep jonge Werkdorpers die tot dan tezamen in het Jeugdhuis van de Joodse Raad aan de Plantage Franschelaan (nu Henri Polaklaan) woonden. Voor wie de werkelijkheid onder ogen zag, kwam de onderduik in beeld. Naast de doodsberichten uit Mauthausen, vernam men ook niets meer van familieleden die gedwongen afgevoerd waren naar Oost Polen, Wit-Rusland.

De blijvers

De sluiting van het dorp ging geleidelijk. De over het algemeen iets oudere leerlingen keken zelf al snel uit naar een onderkomen voor na de oogst.

De 60  achterblijvers vertrokken veelal individueel of in kleine groepjes. Alfred Cohn vertelt later dat hij en anderen hulp kregen van ene ‘Henny’ uit Lutjewinkel. Hij kwam terecht in Ursem, later in Lutjewinkel en in april 1942 in Deventer. Op de boerderij van Sicco Mansholt bivakkeerden twee Werkdorpers  als onderduiker. Ze groeven aan het eind van het kavelpad, aan de slootkant een ruim hol voor als de nood aan de man zou komen. De meesten van deze achterblijvers waren al redelijk lang in Nederland en hadden inmiddels een netwerk opgebouwd via bijvoorbeeld de Deventer Vereniging of de Kibboets in Laag Keppel. Een groep “verdween” naar Twente.

Gertrude van Tijn gaf de drie  Werkdorp-gezinnen het advies vrijwillig naar Westerbork te gaan omdat: “het daar een paradijs is voor kinderen”. Geen van allen volgde deze raad op.

Het echtpaar Lothar en Gitta Leyser trokken eerst in bij haar moeder in Amsterdam en gingen uiteindelijk in onderduik in Naarden. Zij werden verraden en op 9 juli 1943 in Sobibor vergast samen met hun twee zeer jonge kinderen.

Het echtpaar Menni en Rosa de Vries werd in Zwolle van huis gehaald en naar Auschwitz gedeporteerd, Rosa en de twee kinderen werden op 3 september 1943 vergast en Menni kwam 31 maart 1944 om in hetzelfde kamp.

Alleen Heinz en Ruth Durlacher en hun zoon overleefden. Hun kind Uri verbleef in Den Haag, zijzelf doken onder in Utrecht. Zij sloten zich aan bij de verzetsgroep van Joop Westerweel. Toen ex-Werkdorper en collega- verzetsstrijder Kurt Reilinger in april 1944 het voorstel deed de drie jarige Uri naar Spanje te brengen, stemden de ouders in. De kleuter werd eerst ondergebracht in een kinderhuis in Toulouse en ging daarna mee met een kindertransport  naar Spanje. Tijdens de voettocht door de Pyreneeën droegen de grote kinderen Uri om de beurt. Heinz en Ruth kwamen zelf in het najaar veilig in Spanje aan. Zij bivakkeerden al met regelmaat in Frankrijk door het verzetswerk van de groep Westerweel.

Verzet

Er zijn meer Werkdorpers die de handschoen oppakten en in het verzet gingen. Zo ging het bijvoorbeeld met Joachim ( Shushu) Simon. Hij was een werkdorper die na zijn opleiding gevraagd werd in de leiding van Loosdrechtse Rade,   vergelijkbaar met het Werkdorp maar kleiner en gericht op de minderjarigen die met de kindertransporten waren aangekomen. Voor zijn komst in Slootdorp had hij enkele maanden in Dachau gezeten, hij wist dus wat een vertrek naar het Oosten betekende. Hij kwam in aanraking met Joop Westerweel uit Rotterdam en samen zochten ze een mogelijkheid om de pupillen te behoeden voor deportatie. Enkele dagen voor de daadwerkelijke ontruiming was er voor iedereen een onderduikadres gevonden. Dit was de start voor een verzetsnetwerk van Joodse en niet-Joodse mensen. Meerdere Werkdorpers sloten zich aan bij deze groep. Shushu werd in 1943 in België gepakt en opgesloten in de gevangenis van Breda. Daar heeft hij zelfmoord gepleegd. Ook zijn vriend en opvolger binnen de verzetsgroep Kurt Hannemann overleefde niet. Hij werd vermoord in maart 1944 in Auschwitz. Ook andere leden van de Westerweelgroep overleefden de Naziterreur niet. 
Zeker 110 werkdorpers die op de dag van de ontruiming 20 maart 1941 aanwezig waren in het Werkdorp hebben de oorlog overleefd, sommige in onderduik in Nederland, andere in onderduik en in verzet waarbij aansluiting werd gezocht bij Nederlandse verzetsgroepen. Ook zijn er vele deel uitmakend van de Westerweelgroep en anderen dankzij de Westerweelgroep ontkomen via België naar Frankrijk, naar Zwitserland en naar Spanje. Van daar ze zijn uitgewaaierd naar landen als Palestina (Israël), Zuid-Amerika, Australië, de V.S. en sommigen keerden terug naar Nederland.        

Lees verder:  

  1. Palestinapioniers
  2. Bewoners, vertrek, geldperikelen
  3. Dagelijks leven, wonen, geldperikelen
  4. De leerlingen, de opleidingen
  5. Ontvangst in de buurt, de ontruiming en daarna